EEN REAL LIVE-GAME MET ACTEURS

~


VOOR TEAMS OF VRIENDEN- GROEPEN


Stichting Gullie © 2019 alle rechten voorbehouden. Voor reserveringen bel naar: 06-45355966. Bel naar de Salon van Weleer: 030-2102636

EEN EEUWENOUDE HISTORIE KORT VERWOORD

De geschiedenis van de gilden in de stad Utrecht beslaat meerdere eeuwen en is enorm complex door alle maatschappelijke verwikkelingen, ruzies, gewapende conflicten, oorlogen, wetenschappelijke ontdekkingen, revoluties (inclusief de industriële), de veranderende verhoudingen tussen de Wereldlijke en de Geestelijke machten.


De tientallen, zo niet honderden, verhalen bewijzen dat de geschiedenis van de Utrechtse gilden allesbehalve saai is. Het leest als een spannend jongensboek compleet met moord en doodslag, opstanden tegen de buitenlandse bezetter, stadsbesturen die de laan worden uitgestuurd, door Hollandse schranderheid enorme winsten maken en heuse revoluties. Maak kennis met de beknopte geschiedenis van de gilden!

De naam: Koninkrijk der Nederlanden, maakt het meteen duidelijk: het huidige Nederland is opgebouwd uit diverse  kleine staten, de Nederlanden. Vóór het Koninkrijk was er de Republiek der Nederlanden, een samenwerkingsverband tussen zelfstandige staten (die bij elkaar kwamen om te vergaderen in de Staten Generaal). Eensgezindheid was niet een constante factor in de Republiek. In de tijd voor de Republiek waren er verschillende staten (gewesten, de voorloper van de huidige provinciën) met hun eigen bestuurders, legers (schutterijen), wetten en grondgebied. De tijd van voor de Trias Politica, de scheiding der machten. Een tijd waarin de adel en de kerk de meeste macht in handen hadden.


Maar om het ontstaan van de staten te begrijpen moeten we nog wat verder terug in de tijd, naar de vierde eeuw toen de Grote Volksverhuizing plaatsvond. Het Romeinse Rijk was uiteengevallen en met name de Germaanse stammen verplaatsten zich naar het westelijke deel van het voormalige Romeinse Rijk. De volksverhuizing was op gang gebracht door de Hunnen die vanuit Centraal-Azië optrokken tot diep in het Romeinse Rijk. De Hunnen waren bloeddorstige agressieve volkeren die met elkaar verschillende verbonden hadden gesloten om hun territorium verder uit te breiden en de rijkdommen te plunderen. Eén van hun leiders was Attila de Hun (406 - 453) die heerste over het grote Hunnische Rijk, dat enorme delen van Azië en Europa besloeg. De Germaanse stammen sloegen op de vlucht voor de nietsontziende Hunnen en kwamen zo ook in Germania Inferior, de latere Nederlanden.






Binnen de Germaanse stammen heerste een tribale organisatie, wat betekende dat ieder dorp een dorpshoofd had, dat werd bijgestaan door een raad van dorpswijzen. Zij namen beslissingen over nagenoeg alle aspecten van het (dorps)leven en hun besluiten waren wetgevend, uitvoerend en rechterlijk. Hieruit ontwikkelde zich in de vroege middeleeuwen al snel het feodale systeem, waarin edellieden de macht claimden. Aanvankelijk door die domweg op te eisen of af te pakken (al dan niet met geweld) en later werd de adellijke macht geformaliseerd in de adelbrieven. Groei en welvaart ontstaan niet door oorlog te voeren, maar door samen te werken. Oorlog is goed voor expansie. Zo ontstaan er gewesten, gebieden waarin dorpen en steden gaan samenwerken, uiteraard onder leiding van de adelijken. Het dorpshoofd van eens was nu een hertog of een baron geworden. Door de vele fricties, de niet aflatende expansiedrang, de onderlinge oorlogen en ook de economische groei was het onvermijdelijk dat de gewesten steeds meer moesten gaan samenwerken en die samenwerking werd geformaliseerd in de 1464 gevormde Staten-Generaal der Nederlanden. Afgevaardigden van de gewesten werden door de Bourgondische hertogen bij elkaar geroepen als de landheren in geldnood zaten of er bede moest worden toegekend. Een bede is een (dwingend) verzoek om bijzonder kosten van de vorst te bekostigen. Vanaf 1543 tot aan 1585 hadden de Habsburgers het voor het zeggen in de Nederlanden, of zoals het toen werd genoemd: de Habsburgse Nederlanden onder leiding van Karel V.

Een andere machtige speler was de Rooms-Katholieke Kerk, die haar eigen wetten en regels erop nahield. Dat was mogelijk omdat de kerk zich beriep op de tweezwaardenleer, waarmee de wereld werd onderverdeeld in een wereldlijke en een geestelijke. De adel was heer en meester in de wereldlijke wereld en de kerk in de geestelijke wereld. De tweezwaardenleer is gebaseerd op de vermelding van twee zwaarden in de bijbel (Lucas 22:38), waarin het zwaard macht symboliseert en twee machten elkaar niet moesten bevechten maar versterken. De tweezwaardenleer was bedacht door paus Gelasius I (492-496), die daarmee voortborduurde op de tweerijkenleer van de Romeinse kerkvader Augustinus (354-430). De kerk werd door de tweezwaardenleer een geduchte speler op het complexe politieke middeleeuwse podium, wat het er voor de burgers in de gewesten allemaal niet eenvoudiger op maakte. De wereldlijke en de geestelijke wereld maakten zich niet zo bezorgd over de gewone man, vrouw of kind op het platteland of in de stad, zolang zij de plichten maar naleefden. Paus Bonifatius VIII (1235-1303) maakte het nog bonter door de tweezwaardenleer verder uit te breiden en te claimen dat het geestelijke zwaard superieur was aan het wereldlijke zwaard, wat niet goed viel bij menig wereldlijk leider en ook niet bij de bisschoppen. Het gevolg waren diverse bloedige oorlogen en conflicten, die ook weer allemaal moesten worden bekostigd en bemand. Zo betaalden de burgers belastende gelden aan de geestelijke paus Galasius I en de wereldlijke macht om vervolgens tegenover elkaar op een slagveld te staan.


Het is niet verwonderlijk dat de burgers probeerden om ook een stuk van de machtstaart te bemachtigen, maar dat kon alleen als zij zich verzamelden in een organisatie. De kerk had zich de geestelijke wereld toegeëigend en de adel de wereldlijke materiële wereld, dus wat bleef er over om door de burgers te worden geclaimd: de handel. Van de burgers werd zowel door de wereldlijke alsook de geestelijke macht verwacht dat zij onder meer werk leverden, dus was werk the unique selling point van de burgers. Zo kwamen werk en handel bij elkaar in een nieuwe organisatievorm, een gilde. Het eerste gilde in de Nederlanden, voor zover bekend, is het koopmansliedengilde uit Tiel (1020), beschreven door Alpert van Metz, een monnik uit Utrecht. Hij was verontwaardigd dat de gildeleden zelf recht mochten spreken en zich niet aan het landrecht hoefden te houden. De gildeleden gaven aan dat de keizer hen schriftelijk dat recht had gegeven. Hierdoor waren de koopmanslieden uit Tiel meteen ook bevrijd van het Godsoordeel door de kerk en verkregen zij het recht op nalatenschap. De heerser van het gebied of de kerk kon hier geen aanspraak meer op maken. De monnik beschreef ook dat het gilde over een goed gevulde gildekas beschikte, waarvan onder andere het ‘plechtig dronkenschap’ werd betaald, dit was een gildemaaltijd waarbij een overleden gildelid met een etensmaal en stevig drinken werd herdacht. Het Tielse koopmansliedengilde betaalde, vanuit de gildekas, ook mee aan de poorten en de ommuring van de stad en het aanleggen en onderhouden van straten.


Lees verder >>>