EEN REAL LIVE-GAME MET ACTEURS

~


VOOR TEAMS OF VRIENDEN- GROEPEN


Stichting Gullie © 2019 alle rechten voorbehouden. Voor reserveringen bel naar: 06-45355966. Bel naar de Salon van Weleer: 030-2102636

Het oudst bekende gilde in de stad Utrecht is het Rijnkoopliedengilde, oftewel: Mercatores Reni (1233). De gilden waren een soort voorloper van de arbeidersbeweging die opkwam aan het einde van de 19e eeuw. Net als de wereldlijke en de geestelijke machten, kenden de gilden ook hun eigen voorschriften, regels en wetten, hoewel die alleen zeggingskracht hadden binnen het gilde zelf. Ook waren de gilden hiërarchisch georganiseerd, net zoals dit bij de adel en de kerk het geval was. In een relatief korte periode werden de gilden een macht om rekening mee te houden, de luis in de dure pels was geboren. Natuurlijk probeerden de adel en de kerk de macht van de gilden op allerlei manieren te beknotten. Zo kregen bijvoorbeeld ambachtslieden die voor de bisschop van Utrecht werkten bijvoorbeeld een speciale voorkeursbehandeling (hofhorigen). De werkopdrachten werden dan ook verdeeld onder de hofhorigen en de gilden konden hier naar fluiten, tenminste als er ambachtslieden voorhanden waren onder de hofhorigen die de werktaken ook daadwerkelijk konden verrichten. Een voorbeeld van de wereldlijke macht was de bouw van de dwangburcht Vredenburg door Karel V in een verwoede poging om de macht van de gilden te breken en hun invloed te vermorzelen. Op hun beurt probeerden de gilden het bestuur van de stad over te nemen of de benoemingen van bestuurders zoveel mogelijk te bepalen en daarbij werden gewapende opstanden en kleine revoluties niet vermeden. Wat te denken van de boerenopstand in 1273 toen de gilden het bestuur van de stad Utrecht overnamen. Of van Trijn van Leemput die op 2 mei 1577, samen met andere vrouwen van de gildeleden, de dwangburcht Vredenburg aanviel om het met de grond gelijk te maken. Hierdoor werd zij beroemd als een soort Utrechtse Kenau.





Het waren roerige tijden in de middeleeuwen: gewesten die elkaar belegerden; de tweezwaardenleer met in de praktijk een scherp appelmesje erbij; steeds veranderende wetten, regels en belastingen die elkaar ook tegenspraken; Werelden die elkaar beconcurreerden.  Het zich onttrekken aan de macht en de invloed van één of meerdere werelden was buitengewoon moeilijk te bewerkstelligen en onverstandig voor de burger, zeker voor wie in een stad woonde. Zo werd het meeste werk verdeeld onder de hofhorigen en de leden van de gilden en bleven gewoonlijk de slecht betalende werkjes over. Het onttrekken aan de geestelijke wereld was zo goed als ondenkbaar, tenzij je een ander geloof aanhing, maar dan viel je sowieso buiten de gemeenschap. De wereldlijke macht kon alleen worden aangepakt door opstanden, revoluties en het geld te laten spreken, want de inkomsten van de adel waren immers afkomstig van de burgers. Door de handel groeide ook het kapitaal bij de afzonderlijke gilden, uiteraard bij het ene gilde meer dan bij het andere gilde.  De gilden in de stad werkten op politiek gebied ook vaker samen, hierdoor werden zij een nog geduchter gevaar voor de Wereldlijke en de Geestelijke macht. Zij brachten hun gezamenlijke standpunten en besluiten naar buiten door een Gildebrief. Voorbeeld: op 8 mei 1304 gaven de bestuurders (de oudermannen) van de Utrechtse gilden een Gildebrief uit, waarin zij aangaven dat zij voortaan het stadsbestuur zouden gaan samenstellen.

De gilden in de stad Utrecht werden in 1526 verboden na een gewelddadig ingrijpen van de edelen en de kanunniken (vooraanstaande geestelijken binnen een kerkgemeenschap. In de stad Utrecht waren er 40 kanunniken werkzaam). De bisschop dreigde met de bouw van een dwangburcht in de stad om gehoorzaamheid af te dwingen. In de dwangburcht waren soldaten gestationeerd die bij de minste of geringste weerstand of opstand de stad in werden ingestuurd om de rust en de gehoorzaamheid aan de bisschop te herstellen. De gilden beloofden gehoorzaamheid, maar weigerden dat op schrift vast te leggen. Hierop riep de bisschop de hulp van keizer Karel V in, met succes. Karel V nam meteen het gezag van de stad Utrecht over, waardoor ook de bisschop buiten spel kwam te staan. Vanaf 1528 mochten van de keizer alleen nog maar beroepsgenoten lid van een gilde zijn en werd het een gildelid verboden om een bestuurlijke functie uit te oefenen, in plaats daarvan zou de keizer (of diens plaatsvervanger)  de schepenen en de raadslieden benoemen. De gilden konden alleen invloed uitoefenen op de stadsbestuurder door middel van het indienen van rekwesten met grieven, die in de praktijk doorgaans bijzonder serieus werden genomen door de schepenen en de raadslieden.


Niet iedereen kon lid worden van een Utrechts gilde. Buiten dat je een ambacht diende te beheersen of daar lerende voor was, moest je ook een Poorter zijn. Een Poorter was een persoon die de rechten had verworven om binnen de poorten van de stad met stadsrechten te wonen en te werken. Uiteraard kostte dit een aardige duit en ging het gepaard met de nodige plichten. De vrouw van een Poorter werd eveneens een Poorter, als haar echtgenoot door het stadsbestuur was geaccepteerd, net als hun kinderen. Een Poorter moest aantonen dat hij niet armlastig was en in zijn eigen onderhoud kon voorzien en moest een eed van trouw afleggen. Zo moest iemand die een Poorter in 's-Hertogenbosch wilde worden na het afleggen van de eed 6 guldens, 4 stuivers en 8 oortjes betalen (€ 60,-) en dat was veel geld in die tijd.  

Een Poorter mocht buiten lid worden van een gilde ook een bestuurlijke functie uitoefenen. Bovendien hoefde een Poorter geen tol te betalen en verkreeg hij het recht om rechtszaken aan te spannen. Een Poorter kreeg ook burgerrechten die hem tot op een zekere hoogte bescherming boden, zo werden de weeskinderen van een Poorter opgenomen in het Burgerweeshuis in plaats van het armenhuis. De voornaamste burgerplicht van een Poorter was het betalen van belastingen die hoofdzakelijk werden gebruikt voor de verdediging van de stad en het onderhoud van de verdedigingswerken.



Lees verder >>>

Historie III